Pensioen
Het pensioenstelsel in
Nederland: hoe zit het eigenlijk?
Hoe ziet mijn inkomen eruit als ik 65 word? Kan ik misschien eerder met
pensioen? Hoe kom ik achter de gegevens van vergeten pensioenfondsen?
Heb ik een pensioengat en moet ik daar nu wel of niet lijfrentes voor
aanschaffen? Dit soort vragen stelt iedereen zichzelf wel eens. Het zijn
bepaald geen simpel te beantwoorden vragen. Het antwoord hangt af van
een aantal factoren. Om de vragen te kunnen beantwoorden, moet u
eigenlijk eerst weten hoe het pensioenstelsel in Nederland is opgebouwd.
In Nederland bestaat het pensioenstelsel uit drie pijlers. Overheid,
sociale partners en burgers hebben daarin ieder hun eigen rol en
verantwoordelijkheid. Ten eerste is er het AOW-pensioen, via de
overheid. Ten tweede bouwen de meeste werknemers via hun werkgever een
ouderdomspensioen op. Daarnaast kunt u zelf voor aanvulling op uw
pensioen zorgen.
AOW-pensioen via de overheid
De AOW vormt de basis van de oudedagsvoorziening. Iedereen die in
Nederland woont of werkt, is verzekerd via de Algemene Ouderdomswet. De
AOW wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De AOW is
een vast bedrag, dat maandelijks wordt uitbetaald. De hoogte van het
AOW-pensioen is gekoppeld aan het minimumloon. De bedragen variëren voor
alleenstaanden, eenoudergezinnen en gehuwden/samenwonenden.
Als u tussen uw 15e en 65e jaar steeds verzekerd was voor de AOW, heeft
u recht op een volledige AOW-uitkering. Voor elk jaar dat u niet
verzekerd was, bijvoorbeeld door verblijf of werk in het buitenland,
wordt twee procent op de AOW-uitkering gekort. Overigens is het sinds 1
januari 2001 mogelijk om AOW vrijwillig bij te verzekeren bij de SVB.
Zou uw inkomen vanwege een onvolledige AOW-verzekering en een gebrek aan
andere inkomensbronnen onder het bestaansminimum uitkomen, dan heeft u
recht op Bijstand.
Wie betaalt de AOW?
De AOW wordt grotendeels gefinancierd volgens het zo geheten
omslagstelsel. Dat betekent dat de generatie tot 65 betaalt voor degenen
die 65 jaar en ouder zijn. Om te voorkomen dat de AOW vanwege de
vergrijzing onbetaalbaar zou worden, is in 1996 een AOW-fonds opgericht.
De overheid stort jaarlijks bijdragen in dit fonds. Op deze manier wordt
gespaard voor de toekomstige lastenstijging van het basispensioen.
Een AOW-pensioen is een inkomen op minimumniveau. Gelukkig kunnen de
meeste mensen voor hun oudedagsvoorziening tegenwoordig rekenen op
inkomsten uit de tweede en/of de derde pijler.
Pensioen via de werkgever
In de tweede pijler wordt via de werkgever ouderdomspensioen opgebouwd.
Dit geldt voor meer dan 90 procent van de werknemers. Het
werknemerspensioen is onderdeel van het arbeidsvoorwaardenoverleg. De
sociale partners (werkgevers en werknemers) maken hierover onderling
afspraken. Verplicht pensioen
Een groot aantal leden van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen
heeft te maken met de verplichtstelling. Dat wil zeggen dat de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - op verzoek van organisaties van
werkgevers en werknemers - een bepaalde pensioenregeling verplicht stelt
voor alle werkgevers in een bepaalde bedrijfstak. Dat geldt bijvoorbeeld
voor grote bedrijfstakken als de bouw, de metaal en de gezondheidszorg.
Maar ook voor kleinere sectoren zoals die van de bakkers, slagers en ook
de landbouw. Zo wordt pensioenopbouw voor werknemers in deze sectoren
gegarandeerd én wordt voorkomen dat pensioen een arbeidsvoorwaarde
wordt, waarmee werkgevers elkaar kunnen beconcurreren.
Hoe wordt pensioen opgebouwd?
Een veel voorkomend uitgangspunt voor de pensioenopbouw is dat het
AOW-pensioen en het bedrijfspensioen tezamen een inkomen geven op 65
jarige leeftijd van zo’n 70 % van het (laatst) verdiende salaris. Bij de
bepaling van de hoogte van het bedrijfspensioen wordt dus rekening
gehouden met de AOW. Deze 70 % norm wordt echter slechts onder
voorwaarden gerealiseerd, te weten:
40 jaar pensioen hebben opgebouwd, bij een jaarlijkse opbouw van 1,75 %
(40 x 1,75 = 70). Ook een opbouw van 35 jaar en een opbouwpercentage van
2 leidt tot 70%;
alle salariscomponenten tellen mee voor de opbouw van pensioen. Het komt
regelmatig voor dat een 13e maand, een bonus of toeslagen niet mee
tellen. Het pensioen zal dan niet 70% kunnen bedragen van het
daadwerkelijk verdiende salaris;
het bedrag waarmee rekening wordt gehouden bij de opbouw, de zogenoemde
franchise is gelijk aan het AOW-pensioen. Een werkgever zal voor al zijn
medewerkers rekening houden dezelfde franchise, ook al is de
AOW-uitkering voor een alleenstaande hoger dan voor iemand met een
partnerrelatie (zowel een tweeverdiener als een kostwinner).
Het pensioenfonds
Een werkgever brengt een pensioenregeling onder bij een
bedrijfstakpensioenfonds, een ondernemingspensioenfonds of een
verzekeringsmaatschappij. Deze staan onder toezicht van de Pensioen- &
Verzekeringskamer. Pensioenfondsen hebben geen winstdoelstelling voor
aandeelhouders. Al het geld blijft binnen het fonds. Omdat
pensioenfondsen geen winst maken, stelt de overheid hen verder vrij van
vennootschapsbelasting.
Eigen aanvullingen op het pensioen
Het is mogelijk om zelf voor een aanvulling op het inkomen uit de eerste
twee pijlers te zorgen. Dat kan zinvol zijn als u meent dat u na
pensionering (tijdelijk) een tekort aan inkomen heeft. Of bijvoorbeeld
wanneer u eerder wilt stoppen met werken. U kunt dat doen door geld te
sparen, te beleggen of te verzekeren, bijvoorbeeld door middel van een
lijfrenteverzekering. In het verleden was het fiscaal erg aantrekkelijk
om lijfrentes aan te schaffen. Nu is belastingaftrek alleen nog mogelijk
wanneer u kunt aantonen dat u een pensioentekort hebt.
Vaak wordt er van uitgegaan dat u na pensionering moet kunnen beschikken
over 70 procent van uw laatstverdiende salaris. Dat is voor veel mensen
niet haalbaar. Omdat ze enkele malen van werkgever zijn veranderd
bijvoorbeeld, een tijdje niet gewerkt hebben of pas laat pensioen zijn
gaan opbouwen. Ook is er een verschil tussen alleenstaanden en mensen
met een partner. Doordat de AOW voor alleenstaanden hoger is dan voor
mensen met een partner – het arbeidspensioen is gelijk - is het totale
pensioeninkomen voor alleenstaanden ook hoger. Daar staat tegenover dat
een partner een eigen recht op AOW heeft en wellicht ook een pensioen
heeft opgebouwd. Waar het om gaat, is of de inkomsten straks na
pensionering voldoende zijn om alle gewenste uitgaven van te kunnen
betalen. Aangezien de lasten er na pensionering ook vaak anders uitzien
(de hypotheek is afgelost, de kinderen zijn uit huis), is 70 procent van
het laatstverdiende loon niet altijd nodig.
Meer informatie?
Als verzekeringsadviseur zijn wij
gespecialiseerd in pensioenen. Tijdens een geheel vrijblijvende
kennismaking vertellen wij u er graag meer over. Of beter nog: dan
denken wij met u mee in oplossingen voor een goed pensioen.
Een
afspraak is zo gemaakt.
|